Het nieuwe box 3-stelsel vanaf 2028 uitgelegd in gewone taal

Het kabinet wil box 3 vanaf 2028 fundamenteel veranderen. In plaats van belasting op een fictief rendement, betaal je straks belasting op je werkelijke inkomsten en waardeontwikkeling. Dat klinkt eerlijker, maar het stelsel wordt ook complexer. In dit artikel leggen we uit hoe het voorstel werkt, wat er verandert ten opzichte van nu, en wat het betekent voor verschillende typen vermogen.

Belangrijk vooraf: het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is op 12 februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer behandelt het voorstel nog. De minister van Financiën heeft aangekondigd met aanpassingen te komen, omdat hij verwacht dat het voorstel in de huidige vorm onvoldoende steun krijgt in de Eerste Kamer. De inhoud van dit artikel is gebaseerd op het wetsvoorstel zoals dat door de Tweede Kamer is aangenomen. Details kunnen dus nog wijzigen.

De kern in het kort

Dit zijn de belangrijkste veranderingen ten opzichte van het huidige stelsel:

  • Je betaalt belasting over je werkelijke rendement, niet over een fictief rendement.
  • Het tarief is 36%.
  • De hoofdregel is een vermogensaanwasbelasting: ook ongerealiseerde waardestijging wordt jaarlijks belast.
  • Voor onroerend goed geldt een uitzondering via vermogenswinstbelasting: waardestijging wordt pas belast bij verkoop.
  • Er komt een heffingsvrij inkomen van €1.800 per persoon per jaar.
  • Verliezen kun je voorwaarts verrekenen met toekomstige winsten, maar niet terugwentelen naar eerdere jaren.
  • Bepaalde kosten, zoals transactiekosten en betaalde rente, worden aftrekbaar.

Waarom verandert box 3?

Het huidige box 3-stelsel is al jaren onderwerp van discussie. De directe aanleiding voor de hervorming is het Kerstarrest van de Hoge Raad uit 2021. De Hoge Raad oordeelde dat het heffen van belasting op basis van een fictief rendement in strijd kan zijn met het recht op eigendom, als het forfaitaire rendement structureel hoger is dan wat iemand werkelijk verdient.

Sindsdien geldt een overgangsstelsel met aangepaste forfaitaire rendementen per vermogenscategorie. Maar dat was altijd bedoeld als tijdelijke oplossing. Het kabinet wil toe naar een systeem dat belasting heft over wat je daadwerkelijk verdient, niet over wat de wetgever aanneemt dat je verdient.

Hoe werkt het huidige stelsel?

Tot en met 2027 geldt het overgangsstelsel. Daarin betaal je box 3-belasting op basis van forfaitaire rendementen per categorie. In 2026 zijn die rendementen:

  • 1,28% voor banktegoeden (voorlopig percentage),
  • 6,00% voor overige bezittingen (aandelen, obligaties, crypto),
  • 2,70% voor schulden.

Het tarief is 36%. Het heffingsvrij vermogen bedraagt €59.357 per persoon (€118.714 voor fiscale partners). Dat betekent dat je over vermogen onder die grens geen box 3-belasting betaalt.

Als je werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kun je via de tegenbewijsregeling het lagere werkelijke rendement in je aangifte opvoeren.

Het grootste bezwaar tegen dit systeem is dat het forfaitaire rendement op overige bezittingen (6%) voor veel beleggers niet aansluit bij de werkelijkheid. In een slecht beursjaar betaal je toch belasting alsof je 6% hebt verdiend.

Hoe werkt het nieuwe stelsel?

Het nieuwe stelsel draait om één centraal principe: belasting over je werkelijke rendement. Dat werkelijke rendement bestaat uit twee delen:

  • Directe inkomsten: rente, dividend, huur, pacht.
  • Waardeontwikkeling: de stijging of daling van de waarde van je bezittingen in een kalenderjaar.

Samen vormen die twee onderdelen je box 3-inkomen. Daarover betaal je 36% belasting, verminderd met het heffingsvrije inkomen.

Vermogensaanwasbelasting als hoofdregel

De hoofdregel in het voorstel is een vermogensaanwasbelasting. Dat betekent dat niet alleen gerealiseerde winsten meetellen, maar ook ongerealiseerde waardestijging. Als je aandelen op 1 januari €100.000 waard zijn en op 31 december €110.000, dan betaal je belasting over die €10.000 waardestijging, ook als je niets hebt verkocht.

Omgekeerd geldt dat ook: als je portefeuille in waarde daalt, telt die daling mee als negatief rendement.

Tarief en vrijstellingen

Het tarief blijft 36%. Daarnaast komt er een heffingsvrij inkomen van €1.800 per persoon per jaar. Dat is iets anders dan het huidige heffingsvrij vermogen: het gaat niet om een drempel op je totale bezit, maar om een drempel op je jaarlijkse rendement. Als je minder dan €1.800 per jaar aan werkelijk rendement hebt, betaal je geen box 3-belasting.

Het heffingsvrij vermogen blijft daarnaast bestaan, maar de precieze hoogte voor 2028 is nog niet vastgesteld.

Aftrekbare kosten

In het nieuwe stelsel mogen bepaalde kosten in mindering worden gebracht op je rendement. Aftrekbaar zijn onder meer:

  • transactiekosten (koop- en verkoopkosten van beleggingen),
  • betaalde rente op schulden in box 3,
  • bankkosten die direct samenhangen met box 3-bezittingen.

Niet aftrekbaar zijn onder meer: kosten voor congressen, vervoer, werkruimte en dividendbelasting (die laatste wordt wel verrekend, maar op een andere manier). De precieze afbakening van welke kosten precies aftrekbaar zijn, wordt nog verder uitgewerkt in uitvoeringsregels.

Monte Carlo simulatie: huidig box 3 vs nieuw box 3. Klik op een scenario in de legenda om de spreiding te zien. Open in de simulator →

De uitzondering: vermogenswinstbelasting voor vastgoed

Niet alle bezittingen vallen onder de vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en bepaalde niet-beursgenoteerde aandelen (zoals belangen in innovatieve startups en scale-ups) geldt een afwijkende regel: de vermogenswinstbelasting.

Dat betekent: waardestijging van bijvoorbeeld een tweede woning of een verhuurpand wordt pas belast op het moment van verkoop, niet jaarlijks. Reguliere inkomsten zoals huur worden wél jaarlijks belast, net als bij de vermogensaanwasbelasting. En onderhoudskosten van het pand zijn in dat geval aftrekbaar.

Verbeteringskosten van onroerende zaken worden niet direct afgetrokken, maar verrekend op het moment dat de vermogenswinst wordt belast, bijvoorbeeld bij verkoop.

Dit onderscheid is belangrijk, want het betekent dat vastgoedbezitters in box 3 op een wezenlijk andere manier worden belast dan beleggers in aandelen of ETF’s.

Verliesverrekening

In het nieuwe stelsel kun je verliezen verrekenen, maar alleen voorwaarts. Dat betekent: een verlies in 2028 mag je aftrekken van winst in 2029 of latere jaren. Er geldt geen beperking in de tijd, je kunt verliezen in beginsel onbeperkt meenemen naar toekomstige jaren.

Er zijn twee belangrijke beperkingen:

  • Terugwenteling naar eerdere jaren is niet mogelijk. Een verlies in 2029 kun je niet verrekenen met winst uit 2028.
  • Er geldt een drempel van €500. Alleen verliezen boven die drempel komen in aanmerking voor verrekening.

Daarnaast kun je box 3-verliezen niet verrekenen met inkomen uit box 1 of box 2. Het verlies blijft binnen box 3.

Dit heeft praktische gevolgen. Als je in een jaar een flink verlies hebt en het jaar daarna weer winst maakt, betaal je over die winst pas belasting nadat het eerdere verlies is verrekend. Maar als je in het verliesjaar al belasting hebt betaald (bijvoorbeeld over huurinkomsten), krijg je die niet automatisch terug.

De reset op 1 januari 2028

Bij de overgang naar het nieuwe stelsel worden al je bezittingen op 1 januari 2028 gewaardeerd op hun waarde in het economische verkeer op dat moment. Dat is je startwaarde in het nieuwe systeem.

Dit heeft een belangrijke consequentie. Stel dat je in 2025 aandelen hebt gekocht voor €100.000. In 2027 zijn die gedaald naar €80.000. In 2028 herstellen ze naar €95.000. In het nieuwe stelsel wordt die stijging van €80.000 naar €95.000 gezien als positief rendement, ook al zit je ten opzichte van je oorspronkelijke aankoop nog steeds €5.000 in het verlies.

Het omgekeerde kan ook in je voordeel werken: waardestijging die vóór 2028 is opgebouwd, wordt niet nogmaals belast. De startwaarde op 1 januari 2028 is het nieuwe uitgangspunt.

Wat betekent dit per vermogenstype?

Spaarders

Voor spaarders pakt het nieuwe stelsel waarschijnlijk gunstiger uit. In het huidige overgangsstelsel wordt spaargeld belast tegen een forfaitair rendement van 1,28% (2026). In het nieuwe stelsel betaal je alleen over de werkelijk ontvangen rente. Bij een rente van bijvoorbeeld 2% en een spaarbedrag dat een rendement oplevert onder de €1.800, betaal je mogelijk helemaal geen box 3-belasting.

Beleggers in ETF’s en aandelen

Voor beleggers met een portefeuille van ETF’s of aandelen wordt het stelsel directer en volatieler. Je betaalt straks belasting over de werkelijke waardeontwikkeling, inclusief ongerealiseerde koerswinst. In een goed beursjaar kan dat flink oplopen. In een slecht jaar telt het verlies mee, maar dat kun je alleen voorwaarts verrekenen.

Een concreet gevolg is dat je in een jaar met hoge koerswinst belasting moet betalen zonder dat je iets hebt verkocht. Dat kan liquiditeitsproblemen veroorzaken: je hebt wel een belastingschuld, maar geen cash om die te betalen. In het huidige forfaitaire stelsel was die belasting voorspelbaarder, ook al was ze soms oneerlijker.

Crypto

Voor cryptobezitters geldt dezelfde vermogensaanwasbelasting als voor aandelen. Gezien de typisch hoge volatiliteit van crypto kan dat in de praktijk betekenen dat je in een goed jaar een forse belastingaanslag krijgt, terwijl je in een slecht jaar weliswaar verlies kunt verrekenen, maar pas als er weer winst is. De combinatie van hoge volatiliteit en belasting op ongerealiseerde winst maakt crypto in het nieuwe stelsel fiscaal onvoorspelbaarder dan in het huidige systeem.

Vastgoed

Vastgoedbezitters vallen voor de waardeontwikkeling onder de vermogenswinstbelasting. Dat betekent dat de waardestijging van een verhuurpand of tweede woning pas wordt belast bij verkoop. Huurinkomsten worden wél jaarlijks belast, met aftrek van noodzakelijke onderhoudskosten. Dat maakt vastgoed in box 3 in sommige opzichten gunstiger dan aandelen of ETF’s, maar het hangt sterk af van de verhouding tussen huurinkomsten, kosten en waardegroei.

Veelgemaakte misverstanden

“Iedereen gaat meer belasting betalen”

Dat is niet per se waar. Spaarders betalen onder het nieuwe stelsel waarschijnlijk minder. Beleggers met een laag of gemiddeld rendement betalen mogelijk ook minder dan onder het huidige forfait van 6%. Maar beleggers met hoge rendementen en veel ongerealiseerde koerswinst kunnen inderdaad meer gaan betalen.

“Vastgoed wordt automatisch duurder in box 3”

Niet noodzakelijk. Vastgoed valt onder de vermogenswinstbelasting, waardoor waardestijging pas bij verkoop wordt belast. Dat kan zelfs gunstiger uitpakken dan het huidige forfaitaire stelsel, waarin vastgoed meetelt tegen 6% forfaitair rendement. Het hangt af van de netto huurinkomsten en het moment van verkoop.

“Ik moet mijn beleggingen verkopen om de belasting te betalen”

Dat is niet automatisch het geval, maar het kan wél voorkomen. Bij een forse koersstijging zonder dividenduitkering heb je een belastingschuld maar geen cash. In de praktijk zullen veel beleggers een deel van hun portefeuille moeten verkopen of een buffer aanhouden om de belasting te kunnen betalen.

“Verliezen worden volledig gecompenseerd”

Gedeeltelijk. Verliezen zijn verrekenbaar met toekomstige winst, maar niet met winst uit eerdere jaren. En er geldt een drempel van €500. Dat betekent dat je in een verliesjaar geen directe teruggave krijgt. Je draagt het verlies mee en verrekent het zodra er weer winst is.

Kritiek en onzekerheden

Het wetsvoorstel heeft veel discussie opgeleverd, zowel in de politiek als onder fiscalisten en beleggers. De belangrijkste kritiekpunten zijn:

Geen inflatiecorrectie

Het stelsel belast nominaal rendement, niet reëel rendement. Bij een inflatie van 3% en een nominaal rendement van 5% is je reële rendement slechts 2%, maar je betaalt belasting over de volle 5%. Bij hoge inflatie kun je zelfs belasting betalen terwijl je koopkracht gelijk blijft of daalt.

Liquiditeitsproblemen

Belasting over ongerealiseerde winst betekent dat je geld moet hebben om de belasting te betalen, ook als je niets hebt verkocht. Dat raakt vooral beleggers die hun vermogen volledig in aandelen, ETF’s of crypto aanhouden.

Administratieve lasten

Het nieuwe stelsel vraagt meer administratie. Je moet jaarlijks de waardeontwikkeling en inkomsten van al je bezittingen bijhouden. Vooral voor mensen met buitenlandse rekeningen, meerdere beleggingsrekeningen of vastgoed kan dat een flinke extra last zijn.

Status Eerste Kamer

De Eerste Kamer behandelt het voorstel nog. Minister Heinen heeft in februari 2026 aangekondigd dat hij aanpassingen wil doorvoeren, omdat hij twijfelt of het voorstel in de huidige vorm voldoende steun krijgt. Welke aanpassingen dat precies worden, is op dit moment nog niet bekend. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar die is niet gegarandeerd.

Wat betekent dit voor de keuze box 2 of box 3?

Het nieuwe box 3-stelsel maakt de vergelijking tussen box 3 en box 2 (beleggen via een BV) een stuk relevanter. In het huidige forfaitaire stelsel is de belastingdruk in box 3 relatief voorspelbaar. In het nieuwe stelsel wordt die druk directer gekoppeld aan je werkelijke rendementen en vooral aan de timing van die rendementen.

Voor beleggers die vooral willen herbeleggen en niet jaarlijks geld opnemen, kan een BV daardoor relatief aantrekkelijker worden. In een BV betaal je weliswaar vennootschapsbelasting over de winst, maar de box 2-heffing volgt pas bij uitkering. Dat geeft meer regie over het moment van belasting.

Maar dat betekent niet dat een BV voor iedereen slimmer wordt. Wie wil weten of box 2 of box 3 in de eigen situatie gunstiger uitpakt, moet meerdere variabelen tegelijk wegen: rendement, horizon, opnames, kosten en type vermogen. Lees daarvoor wanneer een BV fiscaal slimmer is dan box 3, of reken het door in de simulator.

Conclusie

Het nieuwe box 3-stelsel is een fundamentele verandering. Belasting heffen over werkelijk rendement is in principe eerlijker dan het huidige forfaitaire systeem, maar het brengt ook complexiteit, onvoorspelbaarheid en nieuwe risico’s met zich mee.

Spaarders gaan er waarschijnlijk op vooruit. Beleggers in aandelen, ETF’s en crypto krijgen te maken met belasting op ongerealiseerde waardestijging, wat in volatiele jaren flink kan oplopen. Vastgoedbezitters vallen onder een apart regime dat waardestijging pas bij verkoop belast.

Belangrijk is om te beseffen dat het voorstel nog niet definitief is. De Eerste Kamer moet het nog behandelen en de minister heeft aanpassingen aangekondigd. Wie nu al beslissingen wil nemen, doet er goed aan de eigen situatie door te rekenen op basis van het voorstel zoals het er nu ligt, maar ook rekening te houden met mogelijke wijzigingen.

Veelgestelde vragen

Wanneer gaat het nieuwe stelsel in?

De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar het wetsvoorstel moet eerst door de Eerste Kamer worden aangenomen. De minister heeft aanpassingen aangekondigd, wat de planning kan beïnvloeden.

Betaal ik straks belasting als mijn aandelen stijgen maar ik niets verkoop?

Ja, onder de vermogensaanwasbelasting betaal je ook over ongerealiseerde waardestijging. De waardeverandering van je bezittingen per kalenderjaar telt mee als rendement.

Geldt dat ook voor mijn huis of verhuurpand?

Voor onroerend goed geldt een uitzondering. Waardestijging wordt pas belast bij verkoop (vermogenswinstbelasting). Huurinkomsten worden wel jaarlijks belast.

Wat als ik verlies maak?

Verliezen kun je meenemen naar volgende jaren en verrekenen zodra je weer winst maakt. Terugwentelen naar eerdere jaren kan niet. Er geldt een drempel van €500.

Klopt het dat er een vrijstelling van €1.800 komt?

Ja, het voorstel bevat een heffingsvrij inkomen van €1.800 per persoon per jaar. Als je werkelijke rendement daaronder blijft, betaal je geen box 3-belasting.

Is een BV nu automatisch slimmer dan box 3?

Nee. Het nieuwe stelsel maakt de vergelijking relevanter, maar niet automatisch in het voordeel van een BV. Dat hangt af van je vermogen, rendement, horizon en opnames. Lees meer in het artikel box 2 of box 3: wanneer is een BV fiscaal slimmer?